2. De Spaanse periode

(1499-1634)

Van 1499 to 1634 stond Curaçao onder Spaans gezag.

De Spanjaarden kregen Curaçao voor het eerst in het vizier in 1499, tijdens een expeditie die onder leiding van Alonso de Ojeda het Caribisch gebied doorkruiste. Aan deze expeditie namen ook Amerigo Vespucci en Juan de la Cosa als pilotos (stuurlieden) deel. Alonso de Ojeda heeft overigens het eiland niet daadwerkelijk bezocht. Voor de Spaanse zeelieden waren de Indiaanse bewoners van Curaçao kennelijk erg groot en daarom werd het eiland Isla de los Gigantes (eiland der reuzen) genoemd. Over de oorsprong van de naam ‘Curaçao’ is veel gespeculeerd, maar er is geen duidelijke verklaring. Vast staat wel dat de naam van Indiaanse oorsprong is.

Verspreid over Curaçao lag een aantal Indiaanse dorpen, waaronder Santa Cruz, waar de Cacique (opperhoofd) woonde. Er waren in de eerste jaren nadat de Spanjaarden het eiland in 1499 hadden ingenomen geen Spaanse bestuurders op Curaçao. Waarschijnlijk kreeg Alonso de Ojeda van de Spaanse koningen wel de bevoegdheid om Curaçao te besturen, maar hij is nooit als bestuurder op het eiland geweest.

De wrede behandeling en de geringe weerstand tegen ziekten die de Europeanen meebrachten, veroorzaakten grote sterfte onder de Indiaanse bevolking van Hispaniola, het eiland waarop nu Haïti en de Dominicaanse Republiek liggen. Daardoor ontstond op dat eiland een nijpend tekort aan arbeidskrachten. In 1513 was dit tekort zo groot, dat Don Diego Colon, de zoon van Columbus, toestemming kreeg om Aruba, Curaçao en Bonaire tot islas inútiles, onnutte eilanden, te verklaren. Dit hield in dat officieel werd vastgesteld dat daar geen edele metalen werden gevonden en de eilanden ook niet geschikt waren voor de landbouw. Dit had tot gevolg dat de Indianen van deze eilanden gevangen genomen mochten worden en dat ze  vervoerd werden naar Hispaniola om daar als tot slaaf gemaakten te werken.

In 1526 kreeg Juan de Ampués, de Gouverneur van Venezuela, Curaçao in leen en de taak om Curaçao te herbevolken. Bovendien moest hij de Indianen kerstenen en het eiland tot een handelspost ontwikkelen voor onder andere verfhout en huiden. Tijdens het gouverneurschap van Juan de Ampués nam de bevolking van Curaçao toe tot ongeveer 150 inwoners.

Na zijn dood in 1533 werd Curaçao bestuurd door zijn schoonzoon, Lázaro Bejarano, en zijn dochter María de Ampués. Lázaro Bejarano zou Curaçao ontwikkelen tot een grote hacienda, een plaats waar vee wordt gehouden.

Vervolgens kwam Curaçao eerst onder het directe bestuur van de Audiencia de Hispañola en kort daarop viel het eiland onder de gouverneur van Caracas. Curaçao werd toen lokaal bestuurd door veedores, opzichters. Van 1571-1634 was Curaçao ook een verversingsstation voor kapers, piraten en andere zeelieden.

In 1634 werd het eiland op de Spanjaarden veroverd door Johan van Walbeeck. Sinds die tijd, met korte onderbrekingen in 1800-1803 en 1807-1816, toen de Britten Curaçao bestuurden, is het eiland met Nederland verbonden geweest.

Afbeelding in vensteroverzicht: Kaart van G. Blaeuw van “Venezuelaanse kust” met “Quracao”. Collectie Nationaal Archief Nederland, NL-HaNA_4.AKF_002.11_0023

Boven: “Curacao en 1634” MP-VENEZUELA, 18 Archivo General de Indias.

Beneden: Tekening van de Spaanse kerk te Sta. Barbara, Archivo General de Indias.